CONTROLE SERVO VARIABELE KLEPTIMING


B3E011000142201

L3 (met variabele kleptiming)

Opmerking
• De servo variabele kleptiming is een precisie-eenheid, dus deze kan niet gedemonteerd worden.

1. Controleer of de groef van de rotor en de nok van de kap op de servo variabele kleptiming in een lijn liggen en vastzitten.

• Als de nok en de groef niet in een lijn liggen, draai de rotor dan met de hand in de richting verlaten totdat ze in de juiste positie zitten.
• Vervang de servo variabele kleptiming als nok en groef wel in een lijn liggen maar de rotor en kap niet vastzitten.